Gynaecologisch onderzoek
Vanaf de leeftijd van de puberteit consulteert een vrouw regelmatig een gynaecoloog. Dit kan twee of drie jaarlijks zijn in het kader van een algemene 'routine' controle maar ook voor advies rond contraceptie, fertiliteit, menopauze, (ongewenste) zwangerschap, 'problemen' met de maandstonden, vaginale infecties, seksualiteit, enzovoort.
Het eerste bezoek aan de gynaecoloog begint met een gesprek waarin u uw klacht vertelt en de gynaecoloog u vragen stelt o.a. over uw persoonlijke en familiale medische voorgeschiedenis. Hierna volgt zo nodig een uitwendig en/of inwendig onderzoek van de geslachtsorganen.
Bij een 'routine' controle wordt een uitstrijkje uitgevoerd. Het uitstrijkje is een eenvoudige test waarmee je baarmoederhalskanker en de verschillende voorstadia vroegtijdig kunt opsporen. Het onderzoek verloopt gemakkelijker met een lege blaas. Zorg er dus voor dat u geplast hebt.
U neemt plaats op een onderzoekstoel met uw benen gespreid. De arts brengt een speculum (eendenbek) in de schede (vagina). Hierna wordt het speculum geopend. Zo wordt de baarmoederhals - het onderste deel van de baarmoeder - zichtbaar. De arts neemt met een borsteltje wat losse cellen van de baarmoederhals af. In een laboratorium worden nadien de cellen gekleurd en onderzocht op afwijkingen.
Over het algemeen is het maken van een uitstrijkje niet pijnlijk, maar het inbrengen van het speculum en het afnemen van de cellen kan wel kortdurend een onaangenaam gevoel geven. Soms bloedt de baarmoederhals na het maken van het uitstrijkje. Dit kan geen kwaad. Het bloedverlies stopt meestal binnen een dag.
Voor onderzoek van de inwendige geslachtsorganen worden een of twee vingers in de schede gebracht en wordt met de andere hand op uw buik gevoeld (vaginaal toucher). Dit doet bijna nooit pijn. Zo kan de gynaecoloog de ligging en de grootte van de baarmoeder en de eierstokken beoordelen en bij klachten de pijnlijke plek onderzoeken.
Na het gynaecologisch onderzoek wordt er eventueel nog een echografie gemaakt.
Met een eenmalig uitstrijkje spoor je maar 7 op de 10 afwijkingen op. Of: je mist zeker één op vier. Omgekeerd, als je een duidelijk afwijkend, dus “slecht” uitstrijkje hebt, gaat het in zeker 8 keer op de tien om een voorloper van baarmoederhalskanker. Dat betekent dat je verder onderzoek nodig hebt om helemaal zeker te zijn. Voor het resultaat van het uitstrijkje maakt het geen verschil of je bij je huisarts of gynaecoloog laat screenen. Het komt er vooral op aan dat de dokter in kwestie de nodige routine heeft met het afnemen ervan.
- vanaf de leeftijd van 25 jaar om de twee tot drie jaar een uitstrijkje,
- heb je jezelf regelmatig laten onderzoeken en waren de laatste paar uitstrijkjes goed, dan mag je op je 65ste stoppen. De kans dat daarna nog een nieuwe baarmoederhalskanker ontstaat, is erg klein.
- ben je al heel vroeg seksueel actief geworden, dan kan het beter zijn om bijvoorbeeld al op je twintigste te starten.
-
alle vrouwen tussen 50 en 69 jaar, dit om de twee jaar
-
jonger dan 50 of ouder dan 69 jaar
Een systematische screening wordt niet aanbevolen (omdat de kosten groter zijn dan de eventuele baten), maar het is zeker niet zinloos. Ondertussen gaan wel stemmen op om op vroegere leeftijd, vanaf 40 - 45 jaar bijvoorbeeld, geregeld een screeningsmammografie te laten doen, omdat het tijdig ontdekken van een tumor veel betere overlevingskansen geeft op lange termijn. In zo'n geval moet uw arts de mammografie voorschrijven.