Klik op één van de onderstaande voorwerpen voor meer uitleg:
- Thermometer
- Pleisters
- Spuit of injectie
- Spatel
- Stethoscoop
- Bloeddrukmeter
- Infuus
- Gips en verband
- Reflexhamer
- Plassen en grote boodschap doen
- Weegschaal
- Meetlat
- Medicijnen
Thermometer
Die ken je wel; want die gebruikt mama ook thuis als je koorts hebt. Een thermometer meet de warmte van je lichaam. Die warmte kan je aflezen in graden. Als deze meer dan 37,5 aangeeft, dan heb je koorts.
Pleisters
Soms hele mooie pleisters, die zijn nodig als je een wondje hebt (je weet wel, als je gevallen bent of zo) of een beetje bloedt of gewoon omdat ze mooi zijn.
Spuit of injectie
Een spuitje geeft een prikje in je lichaam en dat doet eventjes pijn, net zoals een speldenprik. Maar door deze prik word je beter. Een spuitje kan je zowat overal krijgen: in je been, je arm, je rug of je bil.
Spatel
Een spatel is een plat, houten stokje. Het lijkt erg goed op een stokje van een ijsje. De dokter gebruikt het om in je keel te kijken.
- Zeg eens aaaaaaaaaaaaaaaaaa!, vraagt hij dan.
Stethoscoop
Met een stethoscoop luistert de dokter naar je hart, je longen en je buik. Het ene uiteinde stopt hij in zijn oren en het rondje plaatst hij op jouw borst of rug.
- Brrrrrrrr ... soms is dat een beetje koud. De dokter zegt dan – diep inademen ... uitblazen … en nog een keer ...
Bloeddrukmeter
Jouw bloed stroomt door buisjes in je lichaam, die we aders noemen. Hoe snel je bloed in je aders stroomt, kan je meten met een bloeddrukmeter. Daarvoor bevestigt de dokter een bandje ietsjes boven je elleboog. Aan die band zit een slangetje met een gummiballon. Door er in te knijpen, wordt er lucht in die band om je arm gepompt en gaat deze een beetje spannen. Daarna laat de dokter de lucht eruit lopen: zoals uit een ballon: pffffffffffffffffffffffffffff ...
Infuus
Een infuus is een zakje met vocht. Dat vocht loopt via een buisje in je arm. Kinderen die pas geopereerd zijn, krijgen vaak zo’n zakje. Er zit vloeistof, medicijnen of bloed in. Het zakje met vocht hangt ondersteboven aan een soort kapstok.
Die kapstok staat op wieltjes, dan kan je soms een wandelingetje maken op de gang. Zo ben je met zijn drietjes: jijzelf, de verpleegkundige of mama en het infuus.
Gips en verband
Verband bestaat in alle soorten en maten.
Is je arm of been gebroken, dan stopt men die arm of been in het gips.
Sommige kinderen moeten wel zes weken op hun rug liggen met een been omhoog. Soms hangt er een gewicht aan, om je been makkelijker omhoog te houden. Als je zes weken plat gelegen hebt met een beenbreuk, is het net of je opnieuw moet leren lopen. En om dat te leren, ga je bij een kinesist.
Reflexhamer
Met een reflexhamer gaat de dokter na of je nog vinnig reageert. Met die hamer geeft hij een zacht tikje dat geen pijn doet bijvoorbeeld net onder je knie. Dan schiet je been zomaar, floep, naar omhoog.
Plassen en grote boodschap doen
Als je moet plassen of een grote boodschap doen, ga je naar de WC. In het ziekenhuis kan dat niet altijd omdat je soms in bed moet blijven. Op dit gebied hebben jongens veel geluk. Ze krijgen een urinaal. Dat is een soort fles met een lange, brede hals. Maar als jongens een grote boodschap moeten doen, krijgen ze net als meisjes een bedpan. Dat is een soort pan die de verpleegkundige onder je bips schuift. Het is mogelijk dat je flink verlegen bent als je daar in je blootje ligt of je plas in de pan hoort stromen. Na een paar keer word je eraan gewend. Want alle kinderen moeten nu eenmaal plassen, een grote boodschap doen, windjes laten, boeren, braken of huilen.
Weegschaal
Een weegschaal heb je thuis wellicht ook. Maar misschien ziet die in het ziekenhuis er anders uit. Dat komt omdat men heel precies wil weten hoeveel je weegt.
- Hoeveel weeg jij?
Meetlat
Thuis neem je een lintmeter of zo, om te meten hoe groot je bent. In het ziekenhuis moet je flink rechtop tegen een lat gaan staan. Aan de schuiflat boven je hoofd kan de verpleegkundige aflezen hoeveel je precies meet.
- Hoe groot ben jij?
Medicijnen
Om beter te worden krijg je naast verzorging ook medicijnen. Dat kan zowat van alles zijn:
- een spuit,
- druppels,
- suppo,
- pilletjes,
- zalf,
- iets om in te ademen,
- siroop.
Sommige dingen smaken vies of ruiken raar. Andere dingen slik je in zonder iets te proeven.
