Onderzoeken

 

Audio-tympanometrie

Sommige medicatie die personen met CF innemen, kunnen een effect hebben op het gehoor. Om dit na te gaan wordt er een gehoortest afgenomen. Via dit onderzoek probeert de audioloog het gehoor zo goed mogelijk in te schatten.​

Het onderzoek kan worden uitgevoerd met of zonder medewerking van de patiënt. Dat laatste is belangrijk wanneer een zeer jonge patiënt wordt onderzocht.​

Wanneer medewerking mogelijk is, gebeurt het onderzoek met een hoofdtelefoon (toon- en spraakaudiometrie). De audioloog laat dan in elk oor apart een toon of woorden horen. Daarbij geeft de patiënt aan of hij de toon of de woorden gehoord/verstaan heeft. Het onderzoek duurt ongeveer 20 minuten.​

Wanneer medewerking onmogelijk is, wordt een soepel slangetje in het oor (oto-akoestische emissies) ingebracht. Vervolgens wordt het gehoor ingeschat. Dit onderzoek duurt 5 tot 10 minuten.​

Bio-elektrische Impedantieanalyse (BIA)

Tijdens deze indirecte methode wordt de weerstand gemeten die het lichaam biedt aan een wisselstroom van 50Hz die door het lichaam wordt gestuurd. Hierdoor wordt de lichaamssamenstelling bepaald.

Bloedafname

Een bloedafname geeft o.a. informatie over de werking van de nieren, lever en alvleesklier. Daarnaast kunnen de hoeveelheid vitamines en de antibioticaspiegels (concentratie) in het bloed bepaald worden. Ook worden antistoffen tegen Pseudomonas aeruginosa opgespoord.​

Wanneer u nuchter moet zijn voor een bloedafname, dan wordt dat op voorhand meegedeeld.

Botdensitometrie

Botdensitometrie is een onderzoek waarbij de dichtheid van het bot wordt gemeten in de wervelzuil en de heup. Op deze manier kan het risico op breuken worden ingeschat. ​

De combinatie van herhaaldelijke infecties en een tekort aan vitamine D, maakt dat personen met CF vatbaarder zijn voor botbreuken omwille van een slechte botkwaliteit. Dit moet te allen tijde vermeden worden. De endocrinoloog volgt jaarlijks de botkwaliteit op.​

Bronchoscopie of fibroscopie ​

Dit onderzoek laat toe de binnenzijde van de luchtwegen te bekijken met behulp van een slangvormige camera. De luchtpijp en de grote luchtpijptakken kunnen van binnenuit worden geïnspecteerd (normale of afwijkende vorm, tekens van infectie, aanwezigheid van slijmen…) en slijmen kunnen middels een spoeling verwijderd en in het labo geanalyseerd worden.​

Een bronchoscopie kan worden uitgevoerd vanaf de geboorte. De patiënt ondergaat een 'sedatie' zodat hij de procedure niet bewust meemaakt en er zich nadien niets van herinnert. Afhankelijk van de omstandigheden en de bevindingen kan de patiënt de dag zelf, de dag nadien of na een opname terug naar huis.​
 

Voor dit onderzoek dient men strikt nuchter te zijn! Dat wil zeggen dat je minstens 6 uur voor de procedure niet mag hebben gegeten of gedronken. Ook geen water!

Colonoscopie

Bij een colonoscopie onderzoekt de arts de binnenkant van de dikke darm met een colonoscoop (een dunne flexibele buis met een camera) die via de anus wordt ingebracht. Via een colonoscopie spoort de arts volgende onregelmatigheden op:​

  • Darmpoliepen​
  • Darmkanker​
  • Chronische ontstekingen​
  • Andere onregelmatigheden

CT

Bij een CT-scan (Computer Tomografie) worden foto’s gemaakt door met een stralingsbuis en detector snel rond de patiënt te draaien. Dankzij de CT-scan wordt er een volledig overzicht weergegeven van alle structuren in het lichaam.​

Er wordt gebruik gemaakt van ioniserende stralen. Met de moderne apparatuur wordt de stralingsdosis zo laag mogelijk gehouden. Vooral bij kinderen en jonge mensen is het niet aangeraden om te vaak blootgesteld te worden aan deze straling. Daarom wordt er gebruik gemaakt van wisselende stralingsbelasting. ​
 

Jonge kinderen ondergaan een CT met een sedatie (licht in slaap) omdat ze tijdens het onderzoek zo stil mogelijk moete blijven liggen. Zij dienen dus strikt nuchter te zijn.​

CT thorax

Bij een CT van de thorax worden er dwarsdoorsneden gemaakt van de thorax. Door deze doorsneden achter elkaar te leggen, ontstaat er een driedimensionaal beeld van de thorax. Op deze manier kunnen we mogelijke afwijkingen aan of in de longen opsporen en uitsluiten. ​

Indien nodig wordt er een contrastvloeistof of kleurstof toegediend. Dit gebeurt door middel van het drinken van een bepaalde hoeveelheid contrastvloeistof of het inspuiten van extra contrastmiddel via een ader in de arm. ​

CT sinussen

Bij een CT van de sinussen wordt een beeld weergegeven van de neus en neusbijholten. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voor het opsporen van infectieuze aandoeningen zoals sinusitis, aanwezigheid van poliepen, het vaststellen van anatomische afwijkingen enz. Dit onderzoek geeft belangrijke info met het oog op een heelkundige ingreep. Soms is een FESS (= functionele endoscopische sinuschirurgie) noodzakelijk. Tijdens deze ingreep verwijdert de chirurg de neuspolliepen en de doorgang naar de sinussen wordt breder gemaakt. ​

Echo

Echo abdomen: lever, pancreas en milt

Een echografie werkt met geluidsgolven zoals de sonar van een boot. Op deze manier worden structuren van de lever, pancreas en milt in kaart gebracht.​

Echo cardio

Een echocardiografie (echo of TTE) brengt uw hart in beeld via ultrasone geluidsgolven. Het is de meest frequent verrichte niet-invasieve beeldvorming van het hart en stelt de arts in staat om een correcte diagnose te stellen.​

Het UZ Brussel heeft een bijzondere expertise in dit gebied. Het echolab werkt met de modernste toestellen in de sector en kreeg een specifieke Europese accreditering door de European Association of Cardiovascular Imaging (EACVI), een afdeling van de European Society of Cardiology. Slechts 2 Belgische ziekenhuizen behaalden deze internationale erkenning.

Elektrocardiogram (EKG)

De pompfunctie van het hart wordt verzekerd door het ritmisch samentrekken van de hartspier. De elektrische stroom die dat samentrekken stuurt, ontstaat aan de bovenzijde van het hart. Die stroom wordt bestudeerd door middel van een elektrocardiogram (EKG). Daarvoor worden tien elektroden (vier aan de ledematen en zes op de borstkas) op de huid geplaatst. Deze elektroden brengen de elektrische stroom in de hartspier in kaart. Het onderzoek duurt slechts enkele minuten en geeft de arts veel informatie over de elektrische activiteit van de hartspier.​

Fecesonderzoek/stoelgangcollectie

Bij fecesonderzoek wordt de hoeveelheid vet in de stoelgang bepaald. Een vettige stoelgang kan erop wijzen dat het lichaam te weinig vet opneemt. Bij personen met CF kan op deze manier de graad van pancreasinsufficiëntie bepaald worden.​

De diëtiste en de gastro-enteroloog zullen regelmatig vragen naar de aanwezigheid van steatorree (vettige, stinkende stoelgang).

Fibroscan

Een niet-invasief onderzoek waarbij men door middel van een op de huid geplaatste probe (echokop) de stijfheid van de lever meet om verlittekening (fibrose) aan te tonen en op te volgen of om vervetting van de lever te onderzoeken.​
 

Voor dit onderzoek dient men strikt nuchter te zijn.

Gastroscopie

Bij een gastroscopie wordt de binnenkant van de slokdarm, de maag en het eerste deel van de dunne darm (duodenum) onderzocht. Men maakt hiervoor gebruik van een gastroscoop (een dunne flexibele buis met een camera die ongeveer de doorsnede heeft van een vinger) die via de keel wordt binnengebracht. Het is mogelijk dat de arts kleine stukjes weefsel wegneemt voor nader onderzoek. 

Voor dit onderzoek dient men strikt nuchter te zijn.

Inspanningstest

Tijdens een inspanningstest wordt de inspanningscapaciteit gemeten. Het geeft een idee over de lichamelijke conditie en inspanningsmogelijkheden. ​

De test start eerst met een spirometrie (basis longfunctie). Nadien neemt de patiënt plaats op de ergometerfiets en plaatst de verpleegkundige elektroden op het bovenlichaam zodat de werking van het hart kan worden geobserveerd. Daarnaast wordt de bloeddruk en de zuurstofsaturatie gedurende de testafname gemonitord. Er wordt een masker geplaatst op het gezicht om de in- en uitgeademde lucht te meten. Bij aanvang van de test wordt tevens een arterieel bloedgas geprikt.​

Het fietsen begint zonder belasting. Progressief wordt deze elke minuut opgebouwd tot er een maximale inspanning bereikt wordt. Op dit moment wordt er nogmaals een arterieel bloedgas afgenomen.​

Alle resultaten samen geven een duidelijk beeld over iemands fysieke conditie. 

Longfunctie

Vanaf de leeftijd van 4-5 jaar kan er een longfunctieonderzoek afgenomen worden door de longfunctieverpleegkundige. De longfunctie geeft informatie over de longinhoud, de luchtwegweerstand en de diffusiecapaciteit van de longen. Hiermee wordt de werking van de longen beoordeeld. Uit het longfunctieonderzoek blijkt of er een verbetering, een stabilisatie of een achteruitgang is van de longen. ​

​Dit onderzoek bestaat uit verschillende onderdelen:

1. De spirometrie​

De longinhoud wordt bepaald met behulp van een spirometer. Dit apparaat meet hoeveel lucht je maximaal in- en uitademt. Daarnaast meet het apparaat de snelheid waarmee je de lucht kan uitademen.  Factoren zoals lengte en gewicht, grootte van de longen, leeftijd en geslacht spelen hierbij een rol. Tijdens het onderzoek krijgt de patiënt een mondstuk aangeboden dat verbonden is met meetapparatuur. Het klemmetje op de neus zorgt ervoor dat er door de mond wordt geademd. ​

​Met de spirometer worden er een aantal bepalingen gedaan:​

  • Eensecondewaarde (FEV1): is de maximale hoeveelheid lucht die je na een volledige inademing snel en geforceerd kan uitademen in één seconde​

  • Geforceerde vitale capaciteit (FVC): is de totale hoeveelheid lucht die na een volledige inademing maximaal kan worden uitgeademd

2. De bodyplethysmografie​

Deze meting wordt gedaan in een gesloten cabine en kan uitgevoerd worden vanaf de leeftijd van 6-7 jaar. De patiënt ademt iets sneller in en uit terwijl er op verschillende momenten gedurende 2 seconden een klepje dicht gaat waar de patiënt moet tegen blazen. De luchtweerstand wordt gemeten net als het residueel volume (resterend volume in de longen na maximale uitademing). Dankzij deze informatie kan er nagegaan worden of er een centrale obstructie aanwezig is. 

3. De bronchodilatietest​

Via inhalatie wordt er een bronchodilator toegediend (betamimeticum of Ventolin®). Deze test toont aan of de obstructie al dan niet omkeerbaar is. De spirometrie wordt opnieuw uitgevoerd en vergeleken met de test voor inname van de bronchodilator.

4. Lung Clearance Index (LCI)​

De LCI is een parameter die berekend wordt aan de hand van een gasuitwisselingsmeting en zegt iets over de toestand van de longen. Met de test wordt er bepaald hoe lang het duurt vooraleer een bepaald gas uit de longen is verdwenen na inademing. Bij gezonde longen zal het gas snel uit de longen geklaard worden. Wanneer er longschade aanwezig is, zal dit langer duren.​

Door de continue verbetering van therapie en medicatie zien we de longfunctie van personen met CF veel minder snel achteruit gaan dan dat vroeger het geval was. Dit wil echter niet zeggen dat er geen schade aan de longen is. De aantasting van de luchtwegen begint immers in de kleine luchtwegen, terwijl technieken zoals een longfunctiemeting voornamelijk de toestand van de grote luchtwegen gaan evalueren. ​

Vroege longschade kan wel in beeld gebracht worden via een CT scan. Het grote probleem hierbij is dat er bij een CT scan heel wat straling kan vrijkomen. Daarom krijgt een CT scan niet de voorkeur is om routinematig de ontwikkeling van longschade te bepalen. LCI combineert de nauwkeurigheid van een CT scan en het gemak van een longfunctiemeting.

Meten, wegen, handknijpkracht

Tijdens de consultatie wordt de patiënt gewogen en gemeten. De lengte en gewicht geven weer hoe het met de voedingstoestand van de patiënt gesteld is. Ze worden ook gebruikt om de normaalwaarden van de longfunctie te bepalen. Daarnaast hangt de dosis van bepaalde medicatie af van zijn gewicht.​

Het meten van de maximale handknijpkracht geeft een goede inschatting van de spierfunctie en is gerelateerd aan de totale hoeveelheid spiermassa in het lichaam. Middels spierkrachtmeting kan bepaald worden of de waarden bij een patiënt binnen de ‘normaal’ vallen of hoe spiergroepen zich onderling verhouden. Afname van de spierkracht kan een teken zijn van spierafbraak.

MRI

Magnetische resonantie (MRI) levert 3D-informatie en -beelden op van het te onderzoeken lichaamsdeel. De beelden zijn het resultaat van de interactie van water in het lichaam en de grote magneet van het toestel. Het kan gebruikt worden voor het hele lichaam en alle weefsels van het lichaam kunnen ermee zichtbaar worden gemaakt. Een MRI is een courant onderzoek.​

Nachtelijke saturatiemeting

Dit onderzoek laat toe om op een eenvoudige manier de zuurstofsaturatie te meten met behulp van een saturatiemeter. Hierbij wordt een elektrode (via een pleister of vingeropzetstuk) op de nagel van de wijsvinger of dikke teen geplaatst. Het toestel registreert de meting gedurende de hele nacht in een geheugen. De volgende dag wordt het toestel uitgelezen.​

Het onderzoek kan thuis worden verricht, nadat de patiënt het toestel op de afdeling Kinderlongziekten is komen afhalen. Hij krijgt hiervoor de nodige uitleg van een verpleegkundige.​
 

Voor het afhalen van een saturatiemeter moet een afspraak worden gemaakt met één van de verpleegkundigen van de afdeling Kinderlongziekten.​

Het geheugen van dit toestel is beperkt. Daarom wordt gevraagd het toestel daags na de nachtelijke registratie binnen te brengen om dit te laten uitlezen en niet later dan 24 uur nadien.​

Mocht er tijdens het onderzoek thuis zuurstof gestart worden, dan moet het exacte tijdstip van de start worden genoteerd, alsook het debiet (liter).

Nasofarynxaspiraat (NFA)

Om respiratoire infecties van virale aard (RSV, Influenza A en B, Bordetella pertussis, adenovirus…) op te sporen, is het noodzakelijk om een NFA af te nemen. Hierbij wordt er neusslijm opgevangen in een steriel recipiënt door de neus te spoelen met fysiologisch serum.

Nasaal potentiaalverschilmeting (NPD)

Om de diagnose van CF nog verfijnder te kunnen stellen, is er een andere techniek ontwikkeld om de werking van het CFTR kanaal te evalueren. De NPD laat toe om de diagnose van CF te stellen of te verwerpen in het geval van een twijfelachtige zweettest. Deze test kan vanaf de leeftijd van 6-7 jaar uitgevoerd worden.​

Het principe van een NPD berust op het meten van een stroom (in millivolt), die gegenereerd wordt in het lichaam zelf, meer bepaald over het slijmvlies van de neus. Een NPD meet de werking van het chloorkanaal in de neus. Een verstoorde of gedeeltelijke werking van het chloorkanaal leidt tot een gebrekkig zout-watertransport in de cellen en de aanmaak van taaie secreties.

Orale glucosetolerantietest (OGTT)

De OGTT (suikertest) wordt gebruikt om diabetes op te sporen. Vanaf de leeftijd van 10 jaar kan men de bloedsuikerspiegel meten na inname van een glucosedrankje. Er wordt bloed gemeten bij aanvang van de test - als de patiënt nog nuchter is - en op verschillende tijdstippen na de inname van het drankje. ​
 

Voor dit onderzoek dient men strikt nuchter te zijn.

Oogfundus

Ten gevolge van diabetes (suikerziekte) kan er een aantasting gebeuren van de kleine bloedvaten in het  netvlies, nl. diabetische retinopathie.​

Vanaf 5 jaar na de diagnosestelling van diabetes is het aangewezen om jaarlijks een oogfundusonderzoek te laten doen. Hierbij wordt er eerst een pupilverwijdend middel in de ogen gedruppeld zodat de oogarts nadien met een lichtje en een oogspiegel de binnenkant van het oog kan onderzoeken.

RX

RX-stralen of röntgenstralen worden door het lichaam gestuurd om een beeld te vormen van weefsels binnen het lichaam  (het röntgenbeeld).​

  • Bij een RX thorax wordt er een beeld gevormd van de longen en de luchtwegen
  • Bij een RX abdomen wordt er een beeld gevormd van de buikinhoud (vnl. darmen)

Saturatie

Bij elke consultatie wordt de zuurstofsaturatie gemeten. Dit geeft het percentage weer van de zuurstofverzadigde hemoglobine ten opzichte van de totale hemoglobine (verzadigd en onverzadigd) in het bloed.​

Voor gezonde mensen is een waarde van 95-100% op zeeniveau normaal. In de bergen op grote hoogte is het normaal dat de zuurstofsaturatie van het bloed lager is. Indien de zuurstofsaturatie onder de 90% zakt, spreekt men van desaturatie of hypoxemie.

Sputum/Uitstrijk longsecreet

Sputum is slijm dat - vermengd met epitheelcellen, kapotte cellen en micro-organismen - wordt opgehoest uit de luchtwegen. Het sputum wordt in het laboratorium onderzocht op de aanwezigheid van kiemen en aan welke antibiotica deze kiemen dan gevoelig zijn. Sputum dat geschikt is voor onderzoek bevat zo weinig mogelijk speeksel om bijbesmetting van bacteriën uit de mondholte te vermijden. ​

Indien er geen sputum kan opgehoest worden, b.v. bij baby’s, zal er door de kinesitherapeut een uitstrijk longsecreet of cough swab afgenomen worden. Dit is een diepe keeluitstrijk dat bekomen wordt na drainage om zo de evacuatie van sputum te bevorderen.

Urineonderzoek

Jaarlijks wordt er een urinestaal afgenomen. Hierbij worden de nier- en leverfunctie nagekeken. Er wordt o.a. gekeken naar mogelijk verlies van elektrolyten, de aanwezigheid van glucose (indicatie voor diabetes).​

Bij het opstarten van bepaalde medicatie kan er een bijkomend urinestaal afgenomen worden om de verwerking ervan door het lichaam te evalueren.

Zweettest

Dit onderzoek wordt verricht ter opsporing van CF. Het laat toe de concentratie zout te meten in het zweet van de patiënt. Het wordt verricht op de beide onderarmen of in zeldzame gevallen op de onderbenen en kan vanaf de eerste levensdagen worden uitgevoerd.

Dit onderzoek omvat 3 stappen:

  1. ​Eerst wordt zweet gestimuleerd via iontoforese. Dit is een techniek die toelaat om een bepaalde vloeistof onder de huid te brengen. Bij de zweettest is dat pilocarpine. Deze stof zal de zweetklieren onderhuids stimuleren om meer zweet  aan te maken. Dit gebeurt door middel van een kleine elektrische stroom (batterij aangedreven) die gedurende 5 min wordt aangebracht. Dit is niet pijnlijk, maar kan wel als licht prikkelend ervaren worden. ​
     
  2. Vervolgens worden beide polsen op de plaats van stimulatie omwikkeld met een gaasverband of wordt een kleine ‘horloge' geplaatst, waarin het zweet wordt opgevangen. De ‘collectiestap’ duurt ongeveer 20 minuten. Het kind mag tijdens deze periode terug in de wachtzaal wachten/spelen.​
     
  3. Nadien wordt het gaasje of het horloge verwijderd en zal verdere analyse in het labo gebeuren.​ De resultaten kunnen doorgaans dezelfde dag nog worden meegedeeld (na 16 uur).​

De patiënt mag NIET nuchter zijn, want hij moet voldoende gedronken hebben om te kunnen zweten.​

Zwaar inwikkelen van uw kind met warme kledij tijdens de ‘collectiestap’ wordt afgeraden om verdunning tegen te gaan.​

Soms levert de zweettest te weinig zweet op waardoor het onderzoek moet worden herhaald. U zal hiervan op de hoogte worden gebracht.

24 uur-bloeddrukmeting

Via dit onderzoek wordt de bloeddruk gemeten gedurende 24 uur. Dit gebeurt via een automatische bloeddrukmeter die door de verpleegkundige tijdens de raadpleging wordt aangebracht. Hierdoor kan de arts een beter beeld krijgen van de bloeddrukveranderingen gedurende de dag en nacht. Bovendien kan zo eenvoudig de gemiddelde bloeddruk berekend worden om na te gaan of er een medicamenteuze behandeling noodzakelijk is of dient te worden aangepast.

6 minuten-wandeltest

Dit onderzoek laat toe de fitheid van chronisch zieke patiënten te meten. Tijdens deze test wordt gevraagd om zo stevig mogelijk door te stappen gedurende 6 minuten. Het hartritme en zuurstofsaturatie worden gemeten, alsook de afgelegde afstand. Dit onderzoek wordt verricht samen met een kinesitherapeut.​
 

​Gelieve steeds na te gaan of het onderzoek al dan niet onder zuurstoftoediening moet gebeuren. Vaste, comfortabele (sportieve) schoenen zijn aangewezen.