BMI als parameter van over- of ondergewicht is passé

BMI als parameter van over- of ondergewicht is passé

20 december 2021

Decennialang was de BMI (body mass index) dé maatstaf om te bepalen of je over- of ondergewicht had. Hoewel die parameter nog altijd nuttig is om grote populaties te beschrijven, voldoet hij niet meer op individueel niveau. Een meting van de lichaamssamenstelling en het rustmetabolisme zijn veel relevanter.

Overgewicht knuffelen is ronduit gevaarlijk

De BMI geeft een bepaalde verhouding weer tussen gewicht en lengte. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) baseert grootschalige studies op die BMI om gewichtskenmerken en -evoluties in grote populaties te meten. Bijvoorbeeld: in 2016 waren 650 miljoen mensen obees. Die studies zijn nog altijd heel waardevol en terecht alarmerend, want obesitas is duidelijk gecorreleerd met cardiovasculaire ziektes, diabetes, gewrichtsafwijkingen en bepaalde kankers. Daarom word ik ook zo nerveus van de 'body positivity'-beweging. Overgewicht knuffelen is ronduit gevaarlijk.

Big Rom moet niet vermageren

Op individueel niveau geeft de BMI echter te weinig informatie om zinvol voedingsadvies te geven. De lichaamssamenstelling, en dan vooral het percentage vet- en spiermassa, is veel relevanter. Spieren wegen namelijk meer dan vet, waardoor de BMI soms een vertekend beeld geeft. Een spierbundel als Romelu Lukaku zal een hoge BMI hebben, maar ik ga niet beweren dat die moet vermageren. Integendeel, een te laag vetpercentage is evenmin wenselijk, want een deel van het immuunsysteem huist juist in die vetmassa. Dat is meteen de reden waarom topsporters vijf keer zo gevoelig zijn voor infecties.

De BMI kan er ook voor zorgen dat mensen die meer gaan sporten voor een betere levensstijl ontmoedigd raken. Vaak zakt hun gewicht (en dus BMI) maar heel moeizaam. Terwijl ze misschien juist heel goed bezig zijn omdat hun spiermassa toeneemt en hun vetmassa afneemt. Ze worden met andere woorden een beetje meer Lukaku.

Omgekeerdkan iemand met een licht skelet en weinig spiermassa een heel lage BMI hebben en foutief denken dat hij of zij meer moet eten. Maar het kan best dat, ook met een lage BMI, het vetpercentage boven de 25% ligt, wat al aan de hoge kant is voor een man. Dan is het voor hem beter om meer aan sport te doen, zodat de spiermassa toeneemt, in plaats van meer calorieën in te nemen.

BIA: de waarheid in een elektrisch stroompje

Om het juiste advies te kunnen geven moet je dus de lichaamssamenstelling kennen. Op de dienst Klinische Nutritie meten we dat met bio-elektrische impedantieanalyse (BIA). We sturen een elektrisch stroompje door het lichaam, van een elektrode op de voet naar een elektrode op de hand. Uit de manier waarop de verschillende weefsels reageren op die stroom kunnen wij afleiden hoe je lichaamssamenstelling eruit ziet. Er bestaan al gelijkaardige BIA-weegschalen voor thuisgebruik, maar hier gaat de elektrische stroom enkel van voet tot voet. Ook al werken die minder precies, toch juich ik de komst van die weegschalen toe. Ze vergroten immers het bewustzijn rond lichaamssamenstelling, en helpen dus het belang van de BMI relativeren.

Wie energiezuinig leeft, is in het nadeel (met een westerse levensstijl)

De lichaamssamenstelling is één pijler, maar de tweede grote pijler in onze begeleiding van mensen met voedingsproblemen is zeker zo belangrijk: onze stofwisseling of metabolisme. Dat is voor iedereen verschillend en deels genetisch bepaald. Maar er zijn ook enkele algemene wetmatigheden. De constante is dat je verdikt of vermagert als je calorie-intake niet in evenwicht is met je metabolisme.

Het geslacht speelt daarbij een rol. Mannen hebben meestal een sterker metabolisme dan vrouwen, omdat ze meer spiermassa hebben en spiermassa verbruikt meer energie dan vetmassa. Bewegen zorgt bovendien voor extra verbruik. Ook organen, zoals de hersenen, de lever en het hart, verbruiken meer calorieën dan vetmassa. Als je lichaam dus verhoudingsgewijs uit meer orgaan bestaat, betekent dit dat je per kilogram lichaamsgewicht meer mag eten. Ook is er nog de leeftijd. Hoe ouder je wordt, hoe lager je metabolisme omdat je fysieke activiteit vermindert.

Om passend voedingsadvies te kunnen geven, vergelijken we het individuele rustmetabolisme met referentiewaarden. Dat meten we hier in het UZ Brussel met indirecte calorimetrie – er bestaan helaas nog geen toestellen voor thuisgebruik. We zien dan bijvoorbeeld dat het rustmetabolisme van een patiënt 1600 of 1900 kcal per dag bedraagt. Is dat hoger dan de referentiewaarde, dan heb je 'geluk': je mag meer eten dan gemiddeld zonder bij te komen. Anderen hebben pech en vertonen een rustmetabolisme dat 20 tot zelfs 30% lager ligt dan de referentiewaarde, waardoor ze helaas ook meer op hun voeding moeten letten. Je kan dus stellen dat voor wie zuinig omgaat met energie uit voeding, onze westerse levensstijl een beproeving is. Heb je bijvoorbeeld een rustmetabolisme van 1300 kcal/dag en je start de ochtend met een karameldonut, dan is de kans groot dat je op het einde van de dag te veel calorieën zal opgenomen hebben.

Periodiek vasten is een ramp

Dat rustmetabolisme ligt echter niet vast. Daarom vind ik de hype rond intermittent fasting een complete ramp. Het komt erop neer dat je gedurende een bepaalde tijd van de dag niets eet. In het begin werkt dat goed omdat je de calorie-intake per dag vermindert. Maar als dat een vast patroon wordt, gaat het lichaam reageren door de 'thermostaat' wat lager te zetten zodat je minder verbruikt. Het gewichtsverlies stopt, mensen raken ontmoedigd, keren terug naar hun oude eetgewoonten terwijl de thermostaat nog altijd lager staat, waardoor ze twee keer zo snel bijkomen. Het bekende jojo-effect dus.

Dus …

De BMI als parameter is passé. We komen tot veel beter voedingsadvies als we je lichaamssamenstelling kennen, je rustmetabolisme en je voedingsgewoonten (gemeten in calorie-inname). Voldoende bewegen blijft wel heel belangrijk. Daar zijn we het samen met de Wereldgezondheidsorganisatie over eens.

Elk blogbericht op ‘UZ Brussel blogt’ weerspiegelt enkel de mening van de respectievelijke auteur.

Prof. dr. Elisabeth De Waele Prof. dr. Elisabeth De Waele
Prof. dr. Elisabeth De Waele
Kliniekhoofd Intensieve Geneeskunde en diensthoofd Klinische Nutritie
Elisabeth De Waele is sinds 2018 lid van de Raad van Bestuur van de European Society for Clinical Nutrition and Metabolism. Haar wetenschappelijk werk is gericht op klinisch onderzoek naar metabolisme en voeding bij ernstig zieke, kanker- en chirurgische patiënten. Ze publiceerde al zo’n 100 artikelen in peer-reviewed tijdschriften en geeft frequent live en virtuele lezingen op internationale en nationale symposia. Daarnaast is ze professor aan de Vrije Universiteit Brussel en Erasmus Hogeschool Brussel, waar ze les geeft aan studenten geneeskunde, apothekers en diëtisten in opleiding.

Respect zit verweven in het DNA van het UZ Brussel. Daarom staat respect ook centraal bij het reageren op nieuws- of blogberichten. We kennen graag uw graag mening en staan open voor suggesties of vragen, maar vragen wel om een aantal simpele regels in acht te nemen. Alleen reacties die de regels respecteren, worden goedgekeurd en gepubliceerd.